Over wetenschap en politiek

Er zullen, gok ik, weinig mensen me tegenspreken, wanneer ik stel dat een gebouw voor veiligheid en beschutting moet zorgen. Hoe dit moet gebeuren, en vooral, wat dat mag kosten, is vaak voorwerp van discussie. Snel worden allerhande wetenschappelijke, technische en economische argumenten bovengehaald, dat vooral om er een beredeneerd, rationeel en dus gewichtig karakter aan te geven. Maar zijn al deze motivaties wel puur wetenschappelijk? Onder de radar zitten vaak eerder politieke grondredenen verscholen. Het onderscheid tussen de wetenschappelijke en de politieke componenten van een argument is belangrijk. Tegenspraken met de wetenschap behoren doorgaans tot het rijk van de onzin. De politieke componenten daarentegen zijn het resultaat van een maatschappelijk waardenkader, en staan blootgesteld aan publieke kritiek, zoals het hoort. In de politieke sfeer is een tegenspraak gewoon een ander standpunt.

Wetenschap

Wetenschap blinkt uit in onverschilligheid. Wetenschap is niet goed of slecht. Het zal de materiële werkelijkheid aan zijn reet roesten, wat jij vindt van de zwaartekracht. Dus als er iets te vinden valt over technische oplossingen, dan kan je er gif opnemen dat de discussie in feite niet wetenschappelijk, maar politiek is.

De materiële werkelijkheid beperkt ons in wat onze fantasie voor mogelijk houdt. Sommigen zijn geneigd om dit als een inperking van de individuele vrijheid te lezen. Niets is minder waar. Hoe beter de wetenschappelijke beschrijvingen van de realiteit, hoe voorspelbaarder deze wordt en hoe minder bedreigend. Het wetenschappelijke bedrijf werkt emanciperend.

Een aantal uitspraken kan men gemakkelijk als wetenschappelijk kwalificeren. Alle gekende materialen kunnen kapot; en maar goed ook, anders viel er voor ons niet veel te bewerken; maar je wil natuurlijk niet dat je huis instort. Het ene materiaal beschermt beter tegen koude; het andere geleidt dan weer beter de warmte; en dus gebruik je het ene om je huis te isoleren en het andere om er je radiatoren van te maken. Compacte gebouwen zijn energiezuiniger; en dus kies je voor een compact gebouwontwerp. Schimmelsporen zijn alomtegenwoordig; en dus kan je er maar beter rekening mee houden.

Wat lastiger wordt het wanneer er statistiek bij komt kijken. De wetenschap kan niet echt helpen om te bepalen of net jouw balk sterk genoeg is voor zijn toepassing. Daarvoor moet die balk stukgemaakt worden, in het labo, maar dan heb je er achteraf niets meer aan. En dus worden er talloze vergelijkbare balken in het labo gebroken, zodat er met een grote mate van zekerheid kan voorspeld worden wat de sterkte is van jouw balk, mits rekening te houden met specifieke voorwaarden. Ook kan men verbanden leren kennen tussen de sterkte van de balk, en andere kenmerken, zoals de vorm, het gewicht en de vervormbaarheid. Handig, dan moet je de balken niet altijd stukmaken. De wetenschap, en dan vooral de statistiek, laat toe om betrouwbare uitspraken te doen over een stapel balken, door een beperkte hoeveelheid ervan te beproeven.

De wetenschap levert betrouwbaarheid, geen zekerheid. Betrouwbaarheid wil zeggen dat men het gedrag van een gebouwelement bij welbepaalde condities nauwkeurig kan voorspellen. Maar zekerheid is dat niet. Met moet steeds een beperkte faalkans tolereren. Absolute zekerheid bestaat niet.

Politiek

De materiële werkelijkheid is wat ze is, daar valt niet voor te kiezen. Zodra er keuzes kunnen en moeten gemaakt worden, komt de politiek in beeld. Zo is het een keuze om wetenschappelijke kennis breed toegankelijk te maken voor het publiek, of net niet. Het is een keuze om over materiaalkenmerken transparant te communiceren, of net niet. Het is een keuze om de ene testmethode te bevoordelen boven een andere met dezelfde finaliteit. Het is een keuze om wetenschappelijk verworven kennis hoger te achten dan traditioneel verworven kennis uit de vroegere gilden. De lezer zal merken dat, in wat volgt, hij sneller zal geneigd zijn om uitspraken te spiegelen aan zijn eigen waardenkader, en hierover een standpunt in te nemen. Want dat is politiek.

Zo ook is de vaststelling aan welke belastingen een gebouw behoort te weerstaan, hoe beredeneerd ook, het resultaat van overleg, debat en consensus.

Wanneer is een gebouw sterk genoeg? Deze vraag wordt voorafgegaan door de vraag aan wie het is, om hierover te oordelen. Is het aan de opdrachtgever van het bouwwerk? Is het aan de architect of de aannemer? Of is het de taak van de samenleving, bij monde van de overheid, om hierover te beslissen? Zoals het nu is, geldt het laatste. Toch ontmoet men nog vaak opdrachtgevers én bouwprofessionals, die zélf wel zullen beslissen wat goed genoeg is, die zich toe-eigenen wat niet van hen is.

Het is al duizenden jaren zo dat de overheid zich bemoeit met de veiligheid van bouwwerken. Dat geeft aan dat het maatschappelijk draagvlak hiervoor vanzelfsprekend is. We vinden hierover al wetteksten terug in de Code van Hammurabi (ca. 1780 v. Chr.). De Romeinse keizer Augustus zag zich op een gegeven moment genoodzaakt om bouwregels op te stellen, nadat op speculatieve wijze opgerichte ‘insulae’ of appartementsblokken waren ingestort. Ook bij ons wordt de veiligheid, of breder, de deugdelijkheid van gebouwen door wetten geregeld.

Dat past vanzelfsprekend bij de traditionele rol die men toebedeelt aan de overheid, als waker over de veiligheid van het publiek, en als beschermer tegen oplichting en bedrog. De argumenten hiervoor zijn begrijpelijk en verdedigbaar. Een initiatiefnemer die een gebouw opricht om onmiddellijk te verkopen, heeft geen voordeel aan de toepassing van duurzame maar kostelijke materialen; het risico gaat immers over naar de nieuwe eigenaar. Iemand die een groot deel van zijn werkende leven zijn woning zal afbetalen, wil natuurlijk liever kwaliteitsvolle concepten en materialen; ook de banken zijn daar blij mee. Een aannemer of architect is al tevreden als er niets ernstig gebeurt met de gebouwen waarbij hij betrokken is; maar is dan de faalkans, globaal genomen, nog wel voldoende klein? Afhankelijk van het profiel van de betrokkene kunnen de kwaliteitseisen sterk uiteenlopend zijn. Iedereen geeft er zijn eigen invulling aan. En dat geeft aanleiding tot discussies en ontevredenheid. Vanuit het oogpunt van de rechtvaardigheid, het gelijke speelveld, is dan beter dat de overheid als scheidsrechter tussenkomt, en toetsbare kwaliteitsnormen en -standaarden opstelt, waaraan een gebouw behoort te voldoen. Zodat het publiek erop kan vertrouwen dat een gelijke prijs staat voor een gelijk kwaliteitsniveau.

In de praktijk wordt een redelijk kwaliteitsniveau bij conventie bepaald. In een ideale wereld faciliteert de overheid een overleg tussen vertegenwoordigers van verschillende soorten betrokkenen: bouwheren, huurders, aannemers, architecten, ingenieurs, fabrikanten, banken, verzekeraars, onderzoeksinstellingen… Dat zou een groot draagvlak moeten bewerkstelligen, en gezag moeten verlenen aan de normen. In zo’n ideale wereld wordt een discussie tussen aannemer en bouwheer natuurlijk futiel; al wat men moet doen is het bouwwerk toetsen aan de norm. Helaas stelt men in de werkelijke wereld de normen dusdanig complex en onleesbaar op, dat zelfs hooggeschoolde bouwprofessionals moeite hebben om ze te kennen en te beheersen.

En dus?

Kort samengevat moet men zich ervan bewust zijn dat in de achtergrond van discussies, die neutraal wetenschappelijk lijken, ideologische en politieke opvattingen kunnen doorschemeren, die met wetenschap niets te maken hebben.

Zelf blijf ik voorstander van het opleggen en handhaven van één toetsbare standaard. Het is niet aan de individuele betrokkenen van een bouwproject om overeen te komen welk niveau van veiligheid moet gerealiseerd worden. Als zij dat wel zouden doen, nemen zij ook beslissingen over de veiligheid van anderen, die niet bij het proces betrokken worden. En dat is niet rechtvaardig.

Ook is het maar beter dat het werk van elke bouwprofessional moet voldoen aan dezelfde minimumstandaarden. Als iedereen eigen standaarden zou aanhouden, dan kan men voorspellen dat al de opdrachten gaan naar zij die bereid zijn de meeste risico’s te nemen. De veiligheid van het gebouwenpark zal er niet beter op worden.

Toch mag, wat mij betreft, de inhoud van de normen toegankelijker en leesbaarder gemaakt worden. Het overgrote deel van de professionele gemeenschap die ermee moet werken, krijgt er simpelweg een punthoofd van, en dat is weinig motiverend. Met het initiatief van ‘de Deelingenieur’ vertaal ik de normen naar praktisch oplossingen, zodat de bouwprofessional deze kan vergelijken met de eigen oplossingen en systemen. Waardoor ook voor hem het zich houden aan de normen gemakkelijker wordt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

<span>%d</span> bloggers liken dit: